Doseerunit kalibreren
Om de juiste bodemklepstand voor de kalibratie te selecteren:
Bodemklepstand in de tabel 1 aflezen en hendel 2 in de gewenste positie brengen.
- Kalibratietrog 1 uittrekken.
Om het zaaigoed in de kalibratietrog 1 op te vangen:
Kalibratietrog met de opening naar boven draaien.
- Kalibratietrog 1 inschuiven.
Om het zaaigoed in de kalibratietrog te leiden:
Kalibratiehendel 1 verder dan de grendelstand in eindstand brengen.- Kalibratiehendel terugschuiven en in kalibratiepositie laten vergrendelen.
- Volume van de doseerwielen uit tabel 2 aflezen.
Om de kalibratie via de kalibratietoets 1 of de TwinTerminal te starten:
Zie bedieningshandleiding ISOBUS-software Menu kalibreren
of
zie bedieningshandleiding Bedieningscomputer.
Om de kalibratie via de bedieningsterminal te starten:
Zie bedieningshandleiding ISOBUS-software Menu kalibreren
of
zie bedieningshandleiding Bedieningscomputer.
- Beugel 1 op het trapje naar beneden klappen.
- Weegschaal 2 en emmer 1 uit het SmartCenter verwijderen.
- Weegcel 2 aan de beugel 1 van het trapje hangen.
Om het opgevangen zaaigoed uit de kalibratietrog te wegen:
Emmer 3 aan de weegschaal hangen en zaaigoed erin doen.
De gewenste zaaihoeveelheid wordt in de regel bij de eerste kalibratie niet bereikt. Om de gewenste zaaihoeveelheden te bereiken, moet de kalibratie vaker worden uitgevoerd.
Om het gewicht van het opgevangen zaaigoed in de TwinTerminal, bedieningsterminal of bedieningscomputer in te voeren:
Zie bedieningshandleiding ISOBUS-software Menu kalibreren
of
zie bedieningshandleiding Bedieningscomputer.
