Centrale smering controleren

Interval

  • dagelijks

  1. Niveau in de tank controleren.
  2. Als het niveau in tank 1 laag is:

    vet via de vulnippel 3 tot vlak onder de MAX-markering vullen.
  3. Overdrukventiel 2 controleren op ontsnappend vet.

Ontsnappend vet aan het overdrukventiel wijst op een verstopping van de smeerpunten.

Afhankelijk van de uitrusting bestaat de centrale smering uit meerdere onderling verbonden verdelers.

  1. Om verstoppingen te verwijderen:

    Op de laatste verdeler vanaf de pomp via de smeernippel 1 vet inpompen.
  2. De bij de verdeler behorende smeerpunten controleren op ontsnappend vet.
  3. Indien op een smeerpunt geen vet naar buiten komt:

    Smeernippel van het foutieve smeerpunt demonteren en reinigen.
  4. Foutieve smeerpunt reinigen.
  5. Smeernippel van het foutieve smeerpunt weer monteren.
  6. Opnieuw via de smeernippel 1 vet inpompen.
  7. Gereinigde smeerpunten controleren op ontsnappend vet.
  8. Procedure op alle verdelers herhalen.

Als alle foutieve smeerpunten gereinigd zijn, kan de centrale smering over een langere periode als volgt worden gecontroleerd:

  1. Blauwe drukknop op de pomp op 3 en de rode draaiknop op 9 instellen.
  2. Centrale smering gedurende 12 uur van spanning voorzien.
  3. Indien na 12 uur aan de pomp vet is ontsnapt:

    Procedure zoals beschreven herhalen.