ISOBUS configureren

De aangesloten bedieningsterminals worden met nummers geïdentificeerd. Indien meerdere terminals worden gebruikt, moeten de terminals voor machinebediening, de documentatie en de Section Control worden toegekend. Indien slechts één bedieningsterminal is aangesloten, wordt deze bedieningsterminal automatisch toegekend. De nummers kunnen in de instellingen van de bedieningsterminal worden bepaald.

  1. In het menu Instellingen > Profiel > ISOBUS kiezen.
  2. Onder Terminal kiezen selecteren.
  3. Onder Terminal voor de machinebediening de gewenste bedieningsterminal invoeren.
  4. Onder Terminal voor documentatie en Section Control de gewenste bedieningsterminal invoeren.
OPMERKING
AmaTron 4 ondersteunt MultiBoom vanaf versie H.
  1. Wanneer voor elk zaaigoed een eigen afgiftepunt nodig is:

    MultiBoom activeren

of

Als de bedieningsterminal slechts één Boom ondersteunt,

MultiBoom deactiveren.

OPMERKING
De bedieningsterminal moet overeenkomstig veel doelwaardebronnen ondersteunen. Als de bedieningsterminal minder dan 4 doelwaardebronnen kan verwerken, alleen voor de doelwaardebronnen met prioriteit het vinkje plaatsen.
  1. Onder Bronnen doelwaarde verder met
  2. Onder Bronnen doelwaarde voor de gewenst doelwaardebronnen het vinkje plaatsen.