Machines met bedieningscomputer AmaLog+

  1. Om de kalibratietroggen uit te trekken:

    Beugel 1 omlaagklappen.
  1. Kalibratietrog 1 uittrekken.
  1. Om het zaaigoed in de kalibratietrog 1 op te vangen:

    Kalibratietrog met de opening naar boven draaien.
  1. Kalibratietrog 1 erin schuiven.
  1. Om het zaaigoed in de kalibratietrog te leiden:

    Kalibratiehendel 1 verder dan de grendelstand in eindstand brengen.
  2. Kalibratiehendel terugschuiven en in kalibratiepositie laten vergrendelen.

Het vlaggetje 2 signaleert dat de kalibratiehendel 1 zich in de kalibratiepositie bevindt.

  1. Om de vergrendeling van de transmissie-instelhendel te lossen:

    Vergrendelingsknop 1 linksom draaien.

De instelling van de transmissie-instelhendel bij het gebruik van de grofdoseerwielen 2 of fijndoseerwielen 1 is te vinden in de tweede regel van de tabel.

  1. Om de transmissie-instelhendel in de juiste positie te brengen:

    De vereiste waarde in de tabel aflezen.
  2. Om de transmissie-instelhendel te vergrendelen:

    Vergrendelingsknop rechtsom draaien.
OPMERKING
De in de tabel vermelde slingeromwentelingen 1 werden bij een kalibratierit op een gestandaardiseerd veld bepaald met de bedieningscomputer AmaLog+. Op velden met meer of minder wielslip wijkt de kalibratiewaarde van de gestandaardiseerde kalibratiefactor 2 af. Daardoor verandert ook het aantal slingeromwentelingen in de tabel.
  1. Om de kalibratiefactor [imp./100 m] te bepalen:

    Zie bedieningshandleiding AmaLog+ Kalibratiewaarde (impulsen per 100 m) bepalen / opslaan.

Benaming

Beschrijving

K

Bepaald aantal slingeromwentelingen

KT

slingeromwentelingen uit de tabel

Ie

Bepaalde kalibratiefactor (impulsen per 100 m)

IT

Kalibratiefactor uit de tabel (impulsen per 100 m)

  1. Wanneer de vastgestelde kalibratiewaarde van de gestandaardiseerde kalibratiefactor 1 afwijkt:

    slingeromwentelingen voor de kalibratie aan de hand van de formule opnieuw berekenen.
  1. Universeel bedieningswerktuig 1 op instelspindel 2 steken.
  2. Aantal slingeromwentelingen voor de kalibratie uit de tabel aflezen

of

Bepaald aantal slingeromwentelingen gebruiken.

  1. Om zaaigoed in de kalibratietrog te leiden:

    Universeel bedieningswerktuig 1 linksom draaien.
  1. Tankdeksel openen.
  2. Weegschaal 1 en emmer 2 uit het bakdeksel verwijderen.
  1. Beugel 1 op het trapje naar beneden klappen.
  1. Weegcel 2 aan de beugel 1 van het trapje hangen.
  2. Om het opgevangen zaaigoed uit de kalibratietrog te wegen:

    Emmer 3 aan de weegschaal hangen en zaaigoed erin doen.

De gewenste zaaihoeveelheid wordt in de regel bij de eerste kalibratie niet bereikt. Om de gewenste zaaihoeveelheden te bereiken, moet met behulp van de rekenschijf en de kalibratiefactor uit de eerste kalibratie de gewenste zaaihoeveelheid worden bepaald.

  • Bepaalde afgifte 175 kg/ha 1

  • Gebruikte transmissiestand 70 2

  • Gewenste afgifte 125 kg/ha 3

  • Transmissiestand 50 4 voor gewenste afgifte

  1. Bepaalde zaaihoeveelheid 1 en de gebruikte transmissiestand 2 op de rekenschijf tegenover elkaar plaatsen.
  2. Transmissiestand 4 voor de gewenste afgifte 3 op de rekenschijf aflezen.
  3. Om de transmissie-instelhendel onder de schaalwaarde 20 of boven de schaalwaarde 80 te zetten:

    Zie hoofdstuk Instelbereik van de Vario-transmissie uitbreiden

of

Transmissie-instelhendel tussen de schaalwaarde 20 en 80 zetten.

  1. Kalibratie opnieuw uitvoeren.