Werken kort onderbreken

Voor elke werkonderbreking moeten de spuitbomen en de spuitdoppen worden gespoeld. Het zuigfilter en het drukfilter moeten worden gereinigd.

Als de machine met HighFlow+ is uitgerust: het separate HighFlow+-drukfilter kan bij gevulde spuitvloeistoftank niet worden uitgenomen en gereinigd.

  1. Menu Reinigen > Spuitbomen spoelen in veldmenu op ISOBUS-bedieningsterminal kiezen.
  1. Spoelvloeistof uitbrengen 1 kiezen.
  2. Spuitbomen spoelen.
  3. Het spoelwater op een onbehandeld oppervlak brengen.
  4. Spoelen beëindigen.
  1. Wanneer de machine met afzonderlijke spuitdopschakeling is uitgerust:

    Afsluitkraan voor de retour op de spuitboom sluiten.
  1. op de TwinTerminal kiezen.
  2. Spuitvloeistofpomp op de TwinTerminal uitschakelen.
  1. Aan de hendel van de drukarmatuur DA naar voren trekken.

Het vloeistofcircuit is afgesloten.

  1. Opvangbak onder de afvoeraansluiting plaatsen.
  1. Ontluchtingsventiel van het zuigfilter 1 gedurende 20 seconden bedienen.

Het zuigfilter wordt leeggezogen.

  1. Het zuigfilter uitnemen.
  2. Het zuigfilter met water reinigen.
  3. Het zuigfilter weer plaatsen.
  1. op de afsluitkraan DE kiezen.

Het drukfilter wordt ontwaterd.

  1. Als er geen spuitvloeistof meer uitstroomt:

    Afsluitkraan DE sluiten.
  1. op de TwinTerminal kiezen.
  2. Het drukfilter uitnemen en bevestigen.
  3. Het drukfilter reinigen met water.
  4. Het drukfilter weer plaatsen en bevestigen.
  5. Aan de hendel van de drukarmatuur DA in de uitgangspositie indrukken.

Het vloeistofcircuit is vrijgeschakeld.

  1. Wanneer de machine met afzonderlijke spuitdopschakeling is uitgerust:

    Afsluitkraan voor de retour op de spuitboom openen.
  1. Om de werkzaamheden voort te zetten:

    Spuitvloeistofpomp op de ISOBUS-bedieningsterminal starten.
  1. Menu Roeren 1 in het veldmenu op ISOBUS-bedieningsterminal kiezen.
  1. De spuitvloeistof roeren met maximaal vermogen gedurende 5 minuten.

Nadat de spuitvloeistof is geroerd, is de machine weer klaar voor gebruik.