Snelle reiniging of intensieve reiniging uitvoeren

De reiniging van het spuitvloeistofcircuit, de spuitleidingen en de spuitdoppen tijdens het rijden op het veld uitvoeren, omdat tussendoor reinigingswater wordt versproeid. Als op het erf een opvangmogelijkheid aanwezig is, zoals bijvoorbeeld een biobed, kan de machine op het erf worden gereinigd.

Onderscheid wordt gemaakt tussen snelle reiniging en intensieve reiniging:

  • De snelle reiniging moet dagelijks worden uitgevoerd. Duur: circa 4 tot 6 minuten.

  • Een intensieve reiniging moet voor een kritieke preparaatwissel of voor een langere buitenbedrijfstelling worden uitgevoerd. Duur: circa 15 minuten.

VOORWAARDEN

  • Spoelwatertank is gevuld.

  • Spoelvloeistoftank is leeg.

  1. Spuitvloeistofpomp op de ISOBUS-bedieningsterminal starten.
  2. Reinigen > Intensieve reiniging in veldmenu op ISOBUS-bedieningsterminal kiezen

of

Reinigen > Snelle reiniging in veldmenu op ISOBUS-bedieningsterminal kiezen.

De ISOBUS-bedieningsterminal toont de voorwaarden, waaraan moet zijn voldaan:

  • Maximaal niveau van de spoelvloeistoftank

  • Minimaal niveau van de spoelwatertank

  • Spuitbomen uitgeklapt

  • Toerental van de spuitvloeistofpomp

  1. Zorg dat aan de op de ISOBUS-bedieningsterminal getoonde voorwaarden is voldaan.
  2. De reiniging starten.
  3. Gewenste hoeveelheid spoelwater voor de reiniging invoeren.

Het roerwerk wordt gespoeld.

De inwendige reiniging van de tank wordt ingeschakeld.

  1. Bevestigen en gelijktijdig wegrijden.

Het reinigingswater wordt uitgespoten. Het spuiten worden meerdere keren gestart en gestopt.

Tijdens de intensieve reiniging wordt automatisch driemaal reinigingswater gespoten.

OPMERKING
Als de machine met de individuele spuitdopschakeling AmaSelect is uitgerust, worden de spuitdoppen tijdens het reinigen automatisch omgeschakeld. Op die manier worden alle spuitdoppen gespoeld.
  1. Sluiting 2 met het zuigfilter 1 eraf draaien.
  2. Het zuigfilter uitnemen.
  3. Het zuigfilter met water reinigen.
  4. O-ringen invetten.
  5. Sluiting met het zuigfilter indraaien.
  1. Sluiting 2 met het drukfilter 1 afschroeven.
  2. Het drukfilter uitnemen.
  3. Het drukfilter reinigen met water.
  4. O-ringen invetten.
  5. Sluiting met drukfilter inschroeven.
  6. Op de spuitbomen steekproefsgewijs een aantal spuitdopfilters op spuitvloeistofresten controleren.
  7. Als zich in de spuitdopfilters nog resten spuitvloeistof bevinden:

    Alle spuitdopfilters uitnemen en met water spoelen.
  8. De spuitdopfilters weer plaatsen.

Als de machine met leidingfilters is uitgerust, moeten bovendien de leidingfilters worden gereinigd.

  1. Alle leidingfilters met de afsluitkraan 1 ontwateren.
  2. Alle leidingfilters uitnemen.
  3. Alle leidingfilters met water reinigen.
  4. O-ringen invetten.
  5. Alle leidingfilters weer aanbrengen.
  1. Opvangbak onder de afvoeraansluiting plaatsen.
  2. Spuitvloeistofpomp op de TwinTerminal uitschakelen.
  3. op de drukarmatuur DA kiezen.
  4. Afsluitkraan RM openen en resthoeveelheid in de opvangbak afvoeren.
  5. Om de afvoer van de resthoeveelheid te stoppen:

    Afsluitkraan RM sluiten.
  6. op de drukarmatuur DA kiezen.

Wanneer de machine met HighFlow+ is uitgerust moet bovendien het HighFlow+-drukfilter 2 worden gereinigd.

  1. Plaats een opvangbak onder de aftapslang voor het rechter achterwiel.
  2. op HighFlow+-schakelkraan 1 kiezen.
  3. Vloeistof laten wegstromen tot het HighFlow+-drukfilter is ontwaterd.
  4. Het HighFlow+-drukfilter afdraaien.
  5. Het HighFlow+-drukfilter met water reinigen.
  6. O-ringen invetten.
  7. Het HighFlow+-drukfilter weer indraaien.
  8. Schakelkraan van het HighFlow+-drukfilter terug in de voorgaande positie zetten.