Submenu Instellingen

1

Terminal

2

Machine

3

Diagnose

 
Terminal:
1

De in de statusbalk getoonde tijd instellen.

2

De in de statusbalk getoonde datum instellen.

3

Weergave van de statusbalk configureren, Statusbalk.

4

Dag- of nachtaanzicht kiezen.

5

Helderheid aanpassen.

6

Taal veranderen.

7

Informatie over software en hardware, alleen voor servicepersoneel

8

Open Source-licenties, alleen voor service-personeel

 
Machine:
1

Stapgrootte voor spoorbreedte instellen.

2

Stapgrootte voor tempomaat instellen.

3

Bandentype invoeren.

4

Intervaltijd voor de centrale smering instellen.

5

Smeertijd voor de centrale smering instellen.

6

Afzonderlijke smering uitvoeren.

7

Correctie van de rijsnelheid invoeren. Met de correctiewaarde kan de aan ISOBUS overgedragen snelheid worden gecorrigeerd om slippen van de wielen op het veld te compenseren.

8

Regeneratie van het roetfilter uitvoeren, Regeneratie van het roetfilter uitvoeren.

9

Hellingcompensatie instellen.

10

Onderstel voor het transport neerlaten.

11

Cameraweergave instellen. Indicaties: aanzicht normaal, aanzicht gespiegeld, camera niet ingebouwd

 
Diagnose:
1

Gegevens voor uitlaatsysteem

2

Sensorgegevens

3

Foutgeheugen

4

Expertinstellingen, beveiligd

5

Gegevens sensoren

6

Gegevens actoren

7

Fysische gegevens

 
Foutgeheugen:
1

Foutgeheugen wissen.

2

Alle fouten weergeven.

3

Alleen actieve fouten weergeven.