ISOBUS-apparaat instellen

Aangesloten ISOBUS-apparaten worden automatisch aangemaakt en de apparaatgegevens worden geladen. Het wijzigen van de apparaatgegevens is alleen mogelijk via de Universal Terminal in de apparaatbesturing. Voor de correcte weergave in de kaartweergave moet de apparaatmodellering worden opgegeven.

De specificaties zijn afhankelijk van de volgende factoren:

  • Het aangesloten apparaat is aan de achterzijde of de voorzijde van de tractor gekoppeld.

  • De GPS-ontvanger is op de tractor of op het apparaat gemonteerd.

  • Het aangesloten apparaat wordt gedragen, getrokken of is een zelfrijder.

  • Aantal spuitbomen

VOORWAARDEN

  • ISOBUS-apparaat aangesloten

  1. Kies in het hoofdmenu.
  1. Kies onder Apparaten het aangesloten apparaat.

Bij sommige frontaanbouwapparaten wordt de tractorlengte bij de afstand van koppelingspunt tot afgiftepunt opgeteld. Bij deze frontaanbouwapparaten moet onderKoppelingspuntAchterzijde worden gekozen.

  1. Onder Koppelingspunt het correcte koppelingspunt selecteren.

Als het koppelingspunt Voorzijde is gekozen, zijn de opties GPS-ontvanger op apparaat en Apparaatmodellering gedeactiveerd.

  1. Als de GPS-ontvanger op de tractor of op het apparaat is gemonteerd:

    GPS-ontvanger op apparaat activeren.
  2. Als het aangesloten apparaat wordt gedragen, of het apparaat een zelfrijder is:

    Onder Apparaatmodellering gedragen kiezen

of

als het aangesloten apparaat wordt getrokken:

Onder Apparaatmodellering getrokken kiezen.

Voor de apparaatgeometrie bestaan de volgende waarden:

  • X1: afstand tussen koppelingspunt en afgiftepunt

  • X2: bij machines met tweede spuitboom: afstand tussen koppelingspunt en tweede afgiftepunt

  • A, bij getrokken machines: afstand tussen koppelingspunt en achteras

  • B: langsverplaatsing van de GPS-ontvanger ten opzichte van het koppelingspunt

  • C: dwarsverplaatsing van de GPS-ontvanger ten opzichte van het koppelingspunt in de rijrichting. Positieve waarde voor een dwarsverplaatsing rechts van het koppelingspunt, negatieve waarde voor een dwarsverplaatsing links van het koppelingspunt.

OPMERKING
Alle geometriewaarden moeten met de werkelijke geometriewaarden van de machine overeenkomen. Voor meer informatie staat in het AMAZONE Download Center een oriëntatiehulp voor de seizoenstart voor de AmaTron 4 ter beschikking.
  1. Om de geometriewaarden te controleren:

    geometriewaarden op machine nameten.
  2. Apparaatgeometrie kiezen.
  3. Als de GPS-ontvanger op de tractor of op het apparaat is gemonteerd:

    Waarden voor B en C invoeren.