Niet-ISOBUS-apparaat configureren
- Kies in het hoofdmenu.

- Kies onder Apparaten het gewenste apparaat.
Voor de correcte weergave in de kaartweergave moet de apparaatmodellering worden opgegeven.
De specificaties zijn afhankelijk van de volgende factoren:
De GPS-ontvanger is op de tractor of op het apparaat gemonteerd.
Het aangesloten apparaat wordt gedragen, getrokken of is een zelfrijder.
Als het aangesloten apparaat wordt gedragen, of het apparaat een zelfrijder is:
Onder Apparaatmodellering gedragen kiezen
of
als het aangesloten apparaat wordt getrokken:
Onder Apparaatmodellering getrokken kiezen.
- Voer het apparaattype en de fabrikant in.

Voor de apparaatgeometrie bestaan de volgende waarden:
X1: afstand tussen koppelingspunt en afgiftepunt
X2, bij getrokken machines: afstand tussen koppelingspunt en achteras
A: dwarsverplaatsing van de GPS-ontvanger ten opzichte van het koppelingspunt in de rijrichting. Positieve waarde voor een dwarsverplaatsing rechts van het koppelingspunt, negatieve waarde voor een dwarsverplaatsing links van het koppelingspunt.
B: langsverplaatsing van de GPS-ontvanger ten opzichte van het koppelingspunt
- Voer onder Apparaatgeometrie waarden in voor X1 en X2.
Als de GPS-ontvanger op de tractor of op het apparaat is gemonteerd:
Onder Apparaatgeometrie waarden voor A en B invoeren.- Voer onder Aantal deelbreedten het aantal deelbreedten in van het aangesloten apparaat.
- Wijzig onder Breedte van de standaardsectie de breedte voor alle secties.
Als de secties verschillende breedtes hebben, dan kunnen de breedtes voor iedere sectie individueel worden opgegeven. De secties zijn in de rijrichting gezien van links naar rechts genummerd.
- Wijzig in de lijst van de secties de waarden voor individuele secties.
