Shape-bestand importeren

Op de USB-stick opgeslagen shape-bestanden kunnen worden weergegeven en de daarin opgenomen veldgegevens kunnen worden geïmporteerd. De veldgegevens kunnen direct worden bewerkt.

OPMERKING

Wanneer de veldgegevens aan een aanwezig veld moeten worden toegevoegd, Veldgegevens uit shape-bestand aan veld toevoegen.

De volgende veldgegevens kunnen in shape-bestanden zijn opgenomen:

  • Applicatiekaarten

  • Veldgrenzen

VOORWAARDEN

  • USB-stick met shape-bestanden geplaatst

    Applicatiekaarten en veldgrenzen moeten met het WGS-84-coördinatensysteem zijn aangemaakt. Applicatiekaarten en veldgrenzen bestaan uit 3 bestanden. Alle 3 bestanden moeten in dezelfde map of hetzelfde zipbestand op de USB-stick zijn opgeslagen:

    • Geometriegegevensbestand, bestandsformaat: .shp

    • Artikelgegevensbestand, bestandsformaat: .dbf

    • Attributengegevensbestand, bestandsformaat: .shx

  1. Kies in het hoofdmenu.

Indien registraties aanwezig zijn, wordt een melding getoond.

  1. Om de actuele registraties te verwijderen,

    kies dan ,

of

Om de actuele registraties op te slaan,

kiezen, Veldgegevens opslaan.

De shape-bestanden kunnen aan de hand van de afstand tot de actuele gps-positie worden gefilterd, Cirkelfilter voor veld zoeken in importmenu configureren.

  1. Om de shape-bestanden te filteren,

    Kies .
  2. Plaats een vinkje bij de gewenste veldgrens of applicatiekaart.
OPMERKING

De applicatiekaarten moeten aan de gewenste waardeontvangers van het aangesloten apparaat worden toegewezen. Wanneer het aangesloten apparaat meerdere gewenste waardeontvangers heeft, kunnen meerdere applicatiekaarten worden gekozen.

Wanneer geen apparaat is aangesloten, moeten aan de applicatiekaarten eenheden worden toegewezen.

  1. Wanneer een apparaat is aangesloten,

    onder Doel de gewenste ontvanger van de gewenste waarde selecteren

of

Wanneer geen apparaat is aangesloten,

Onder Eenheid de gewenste eenheid kiezen.
  1. Om de gewenste waarden aan te passen,

    onder Waarden schalen de schaal op de gewenste waarden instellen.
  2. Invoer bevestigen met .

Wanner op de AmaTron 4 geen veldgegevens zijn opgeslagen, worden de gekozen applicatiekaarten of de gekozen veldgrenzen in het kaartaanzicht geladen.

  1. Wanneer veldgegevens op de AmaTron 4 aanwezig zijn,

    in de veldkeuze het bijbehorende veld kiezen.
  2. Wanneer de geladen veldgegevens moeten worden bewerkt,

    Met documentatie werken.