Analoge werkstandsensor configureren

Met de werkstandsensor wordt bepaald of de machine op de werkstand staat. Als de machine op de werkstand staat, kan de dosering automatisch starten. Als de machine uit de werkstand wordt gebracht, wordt de dosering automatisch gestopt. Om te bepalen wanneer de machine in de werkstand staat, worden de standen als procentuele waarde van het totale standtraject weergegeven. De standen kunnen worden geprogrammeerd.

Om het totale standtraject van de werkstandsensor te bepalen, moeten de grenswaarden worden geprogrammeerd.

De volgende bronnen kunnen voor de werkstand worden gebruikt:

  • Sensor op de machine in achteraanbouw

  • Sensor op frame van een getrokken machine

  • Sensor op frontaanbouwbak

  • Sensorsignaal van ISOBUS

Afhankelijk van de uitrusting van de machine kunnen verschillende schakelpunten worden gedefinieerd. De schakelpunten leggen vast in welke stand van het machineframe de dosering werkt of hoe ver de zaaikouters op de wendakker worden opgetild.

  1. In het menu Instellingen > Machine > Werkstand kiezen.
  2. Als elke doseerunit een eigen werkstand moet gebruiken:

    Synchrone werkstand deactiveren

of

Als voor doseerunits dezelfde werkstand moet worden gebruikt:

Synchrone werkstand activeren.

Als de synchrone werkstand is geactiveerd, wordt een schakeltoestand 2 getoond. Als de synchrone werkstand is gedeactiveerd, wordt de schakeltoestand 1 aan het product toegekend.

  1. Onder Grenswaarden verder met
  2. Kies onder Bron de gewenste sensor.
  3. Om de grenswaarden te leren:

    bedienen en de aanwijzingen op het display volgen.
  1. Om de onderste grenswaarde te bepalen:

    Machine in werkstand zetten.
  2. Om de waarde op te slaan:

    bedienen.
  3. Om de bovenste grenswaarde te bepalen:

    machine volledig optillen.
  4. Om de waarde op te slaan:

    bedienen.

Afhankelijk van de configuratie van de machine moet een schakelpunt voor de wendakker worden geconfigureerd.

  1. Onder Schakelpunten wendakker verder met .
  2. Om het gewenste schakelpunt voor de wendakkerstand vast te leggen:

    machine tot de gewenste hoogte optillen.
  3. Om de waarde op te slaan:

    bedienen.
OPMERKING
Als het wendakkerschakelpunt kleiner is dan het productschakelpunt, wordt een melding getoond.
Als de melding wordt bevestigd, worden de productschakelpunten verlaagd. Als de melding wordt afgewezen, worden alle veranderingen verworpen.
  1. Gewenste productschakelpunt met kiezen.
  2. Kies onder Bron de gewenste sensor.
  3. Als de procentuele waarden van de schakelpunten bekend zijn:

    Onder Schakelpunt dosering AAN en Schakelpunt dosering UIT de procentuele waarde voor schakelpunten invoeren

of

Als de procentuele waarden van de schakelpunten niet bekend zijn:

Onder Schakelpunten leren de aanwijzingen op het display opvolgen.

  1. Om het gewenste uitschakelpunt voor de dosering van het product te bepalen:

    machine tot de gewenste hoogte optillen.
  2. Om de waarde op te slaan:

    bedienen.
  3. Om het gewenste inschakelpunt voor de dosering van het product te bepalen:

    machine tot de gewenste hoogte optillen.
  4. Om de waarde op te slaan:

    bedienen.