Geometriewaarden aangekoppelde machines bepalen

Aan de hand van de geometrie wordt het afleggen van de korrels gestuurd.

De geometriewaarden zijn vooringesteld. Als de geometriewaarden moeten worden veranderd, dan moeten de afstanden nauwkeurig worden nagemeten.

OPMERKING
Wanneer zaaikouters worden gemonteerd of gedemonteerd, moet de geometrie worden aangepast.

Machinevariant

Afstand tussen aanhanging en dissel

Afstand tot afgiftepunt

Meststof

Zaaigoed

Microgranulaat

In de voor

Op het oppervlak

aangehangen met 9m of 12m

K80 of trekoog

650cm

223cm

279cm

305cm

335cm

Trekstang

640cm

aangehangen met 6m

K80 of trekoog

500cm

181cm

238cm

265cm

303cm

Trekstang

489cm

VOORWAARDEN

  • MultiBoom is gelicentieerd en op de bedieningsterminal beschikbaar

  • MultiBoom is op de bedieningsterminal ingeschakeld

  1. In het menu Instellingen Machine > Geometrie kiezen.
  2. Onder Ingebouwde rijen het aantal rijen invoeren.
  3. Onder Werkbreedte de werkbreedte van de machine invoeren.
  4. Onder Rijafstand de ingestelde rijafstand invoeren.
  5. Om de afstanden tot de zaairailpositie in te voeren:

    Verder met

Bij geactiveerde MultiBoom kan voor elk zaaigoed een afgiftepunt worden gedefinieerd. Wanneer Multi Boom wordt uitgeschakeld, wordt het afgiftepunt gedefinieerd.

  1. Om MultiBoom te activeren:

    In het menu Instellingen Profiel > ISOBUS kiezen en Multi Boom activeren.
  2. Onder 1 de afstand tussen de verbindingsinrichting van de tractor invoeren.
  3. Onder 2 de afstand tot het afgiftepunt invoeren.
  4. Bij een offset naar links:

    De offset onder 3 met een negatief voorteken invoeren

of

Bij een offset naar rechts:

de offset met een positief voorteken invoeren.

Wanneer zaaikouters worden gemonteerd of gedemonteerd, moet de segmentverdelerkop worden gekalibreerd.

  1. Om de segmentverdelerkop te kalibreren:

    Segmentverdelerkop kalibreren