Machines zonder bedieningscomputer
Om de kalibratietroggen uit te trekken:
Beugel 1 omlaagklappen.
- Kalibratietrog 1 uittrekken.
Om het zaaigoed in de kalibratietrog 1 op te vangen:
Kalibratietrog met de opening naar boven draaien.
- Kalibratietrog 1 erin schuiven.
Om het zaaigoed in de kalibratietrog te leiden:
Kalibratiehendel 1 verder dan de grendelstand in eindstand brengen.- Kalibratiehendel terugschuiven en in kalibratiepositie laten vergrendelen.
Het vlaggetje 2 signaleert dat de kalibratiehendel 1 zich in de kalibratiepositie bevindt.
Om de vergrendeling van de transmissie-instelhendel te lossen:
Vergrendelingsknop 1 linksom draaien.
De instelling van de transmissie-instelhendel bij het gebruik van de grofdoseerwielen 2 of fijndoseerwielen 1 zijn te vinden in de tweede regel van de tabel.
Om de transmissie-instelhendel in de juiste positie te brengen:
De vereiste waarde in de tabel aflezen.Om de transmissie-instelhendel te vergrendelen:
Vergrendelingsknop rechtsom draaien.
Om het benodigd aantal slingeromwentelingen bij optredende slip te kunnen bepaald, moet op het veld een oppervlak van 250m² worden verreden.
Dat komt overeen met de volgende trajecten bij de betreffende werkbreedten:
Werkbreedte | Traject |
|---|---|
2,5m | 100m |
3m | 83,3m |
3,43m | 72,9m |
3,5m | 71,4m |
4m | 62,5m |
- Op het veld 250m² uitmeten
of
Benodigde traject aan de hand van de werkbreedte uit de tabel aflezen.
- Traject rijden en spoorwielomwentelingen tellen.
Benaming | Beschrijving |
|---|---|
Se | Vastgestelde aantal spoorwielomwentelingen |
K | Benodigde aantal slingeromwentelingen |
Het vastgestelde aantal spoorwielomwentelingen uit de veldrit moet worden omgerekend in aantal slingeromwentelingen.
Om het aantal spoorwielomwentelingen om te rekenen naar slingeromwentelingen:
slingeromwentelingen aan de hand van de formule berekenen.
- Universeel bedieningswerktuig 1 op instelspindel 2 steken.
- Aantal slingeromwentelingen voor de kalibratie uit de tabel aflezen
of
Bepaald aantal slingeromwentelingen gebruiken.
Om zaaigoed in de kalibratietrog te leiden:
Universeel bedieningswerktuig 1 linksom draaien.
- Tankdeksel openen.
- Weegschaal 1 en emmer 2 uit het bakdeksel verwijderen.
- Beugel 1 op het trapje naar beneden klappen.
- Weegcel 2 aan de beugel 1 van het trapje hangen.
Om het opgevangen zaaigoed uit de kalibratietrog te wegen:
Emmer 3 aan de weegschaal hangen en zaaigoed erin doen.
De gewenste zaaihoeveelheid wordt in de regel bij de eerste kalibratie niet bereikt. Om de gewenste zaaihoeveelheden te bereiken, moet met behulp van de rekenschijf en de kalibratiefactor uit de eerste kalibratie de gewenste zaaihoeveelheid worden bepaald.

Bepaalde afgifte 175 kg/ha 1
Gebruikte transmissiestand 70 2
Gewenste afgifte 125 kg/ha 3
Transmissiestand 50 4 voor gewenste afgifte
- Bepaalde zaaihoeveelheid 1 en de gebruikte transmissiestand 2 op de rekenschijf tegenover elkaar plaatsen.
- Transmissiestand 4 voor de gewenste afgifte 3 op de rekenschijf aflezen.
Om de transmissie-instelhendel onder de schaalwaarde 20 of boven de schaalwaarde 80 te zetten:
Zie hoofdstuk Instelbereik van de Vario-transmissie uitbreiden
of
Transmissie-instelhendel tussen de schaalwaarde 20 en 80 zetten.
- Kalibratie opnieuw uitvoeren.
