Hoogte van de spuitdoppen instellen
Voor de instelling van de verticale positie van de spuitdoppen geldt:
De instelling van de hoogte C is afhankelijk van het groeistadium waarin het gewas zich bij het spuiten bevindt. Hoe hoger de planten, des te hoger moeten de spuitdoppen worden ingesteld.
De spuitdoppen moeten altijd een voldoende grote afstand tot de toppen van het gewas hebben. Zodra de planten een hoogte hebben bereikt die hoger is dan de maximaal mogelijke hoogte-instelling van de spuitdoppen, is spuiten niet meer mogelijk.
Door het vergroten of verkleinen van de hoogte C wordt de breedte B van de spuitkegel groter of kleiner. De breedte moet via de hoogte-instelling zodanig worden ingesteld dat bij het gelijktijdig schoffelen en spuiten zowel de band D, die niet door de schoffelmessen van onkruid wordt ontdaan, alsook de randen van het gebied dat aansluit op de geschoffelden banden A met spuitmiddel worden besproeid. De breedte mag echter niet zo groot zijn dat spuitmiddel op de parallellogrammen of aanbouwdelen van de parallellogrammen terecht komt.
- Machine met de driepuntslift op het veld neerlaten.
- Moeren 1 van de slotbouten losdraaien.
- Spuitdopleiding 2 samen met het met één of meerdere spuitdoppen 5 bezette spuitdoplichaam 4 in de klemhouder 3 naar boven of beneden schuiven, tot de verticaal naar beneden wijzende spuitdop 6 de juiste positie inneemt.
- Moeren van de slotbouten aantrekken.
- Op dezelfde manier de hoogte van alle spuitdoppen op de machine instellen.
