Aanaardschijven instellen
De aanaardschijven kunnen per paar in de hoogte ten opzichte van de akkerbodem en afzonderlijk op een afstand en in horizontale hoek ten opzichte van de plantenrij worden ingesteld. De verschillende instellingen moeten op elkaar worden afgestemd.
Voor de instellingen geldt:
Hoe dieper een horizontale aanaardschijf verticaal in de akker steekt, hoe meer aarde tegen de planterij wordt aangeaard.
Bij een ten opzichte van de plantenrij grotere horizontale afstand en tegelijkertijd steilere horizontale hoek aardt de aanaardschijf meer aarde aan. Bij een ten opzichte van de plantenrij kleinere horizontale afstand en tegelijkertijd vlakkere horizontale hoek aardt de aanaardschijf minder aarde aan.
Hoe groter de rijsnelheid bij het schoffelen is, hoe meer aarde aarden de aanaardschijven bij de plantenrijen aan. Als bij een verhoging van de rijsnelheid de hoeveelheid aangeaarde aarde gelijk moet blijven, moet de hoogte van de aanaardschijven vergroot en de afstand en de horizontale hoek van de aanaardschijven ten opzichte van de plantenrijen worden verkleind.
Als de schoffeldiepte wordt veranderd, zie hoofdstuk Schoffeldiepte instellen en de hoeveelheid aangeaarde aarde moet gelijk blijven, dan moet ook de hoogte van de aanaardschijven ten opzichte van de geschoffelde bodem worden veranderd.
Om de hoogte van de aanaardschijven in te stellen die via een sterparallellogram op een parallellogram zijn gemonteerd:
Stappen 2 tot 6 volgen.- Machine met de driepuntslift op het veld neerlaten.
- Bout 2 van de geleidingsbuis 3 in het sterparallellogram losdraaien.
- Aanaardschijven 4 met de armbuis 1 in de geleidingsbuis naar boven of beneden schuiven tot de aanaardschijven de juiste positie hebben.
- Schroef van de geleidingsbuis vastdraaien.
- Op dezelfde wijze de hoogte van alle aanaardschijven instellen.
Om de hoogte van de aanaardschijven in te stellen die via een starre opname op een parallellogram zijn gemonteerd:
Stappen 8 tot 12 volgen.- Machine met de driepuntslift op het veld neerlaten.
- Bout 2 van de geleidingsbuis 3 in de schijfconsole losdraaien.
- Aanaardschijven 4 met de armbuis 1 in de geleidingsbuis naar boven of beneden schuiven tot de aanaardschijven de juiste positie hebben.
- Schroef van de geleidingsbuis vastdraaien.
- Op dezelfde wijze de hoogte van alle aanaardschijven instellen.
Om de zijafstand van een aanaardschijf in te stellen:
Stappen 14 tot 18 volgen.- Machine met de driepuntslift op het veld neerlaten.
- Bout 2 van de geleidingsbuis 3 losdraaien.
- Aanaardschijf 4 met de schuifbuis 1 in de geleidingsbuis naar binnen of buiten schuiven tot de aanaardschijf de juiste positie inneemt.
- Schroef van de geleidingsbuis vastdraaien.
- Op dezelfde wijze de zijwaartse afstand van alle aanaardschijven instellen.
Om de horizontale helling van een rolleneg t.o.v. een aanaardschijf in te stellen:
Stappen 20 tot 26 volgen.- Machine met de driepuntslift op het veld neerlaten.
- Moer 2 van de schroef 3 losmaken.
- Moeren opendraaien en aanaardschijf 1 laten zakken tot de cilinderkerfpennen 4 niet meer in de borgplaat 5 grijpen.
- Aanaardschijf 1 met de borgplaat 2 naar links of rechts om de langsas van de schroef 4 draaien, tot de aanaardschijf de juiste hellingshoek heeft.
- Aanaardschijf met de borgplaat naar boven drukken, zodat de cilinderkerfpennen 5 in de borggaten 6 vallen.
- Moer 3 van de schroef vastdraaien.
- Op dezelfde manier de horizontale helling van alle aanaardschijven instellen.
