Aanaardwerktuigen activeren en op de werkdiepte instellen

Als de aanaardwerktuigen bij het schoffelen moeten worden ingezet, moeten de aanaardwerktuigen uit de passieve stand in de actieve stand zijn gezet en op werkdiepte worden ingesteld.

Voor de instelling van de werkdiepte geldt:

  • Des te dieper een vlak aanaardwerktuig verticaal in de akker steekt, des te meer aarde wordt aan de plantenrijen aangeaard.

  • Hoe groter de rijsnelheid bij het schoffelen is, hoe meer aarde aardt elke vlak aanaardwerktuig bij de plantenrijen aan. Als bij een verhoging van de rijsnelheid de hoeveelheid aangeaarde aarde gelijk moet blijven, moet de werkdiepte van de vlakke aanaardwerktuigen worden verkleind.

  • Als de schoffeldiepte wordt veranderd, zie hoofdstuk Schoffeldiepte instellen en de hoeveelheid aangeaarde aarde moet gelijk blijven, dan moet ook de afstand van het vlakke aanaardwerktuig tot de akkerbodem worden gewijzigd.

  1. Om een aanaardwerktuig uit de passieve stand in de actieve stand te zetten:

    Stappen 2 tot 6 volgen.
  2. Machine met de driepuntslift op het veld neerlaten.
  1. Moer 4 opendraaien.
  2. Aanaardwerktuig naar buiten trekken, tot de spanpen 2 niet meer in de boring valt.
  3. Aanaardwerktuig 90 graden naar achteren draaien.
  4. Moer zover aandraaien, dat het aanaardwerktuig tegen de arm van het RapidoClip-ganzenvoetmes aanligt en door de beide spanpennen 2 en 3 in horizontale positie wordt gehouden.
  5. Om de werkdiepte van het in actieve stand gebrachte aanaardwerktuig in te stellen:

    Stappen 8 en 9 volgen.
  1. Aanaardwerktuig 1 aan de arm 3 van het Rapido-Clip ganzenvoetmes 4 tot de gewenste positie naar beneden schuiven.
  2. Moer 2 vastdraaien.
  3. Om de werkdiepte van een geactiveerd aanaardwerktuig te veranderen,

    Stappen 11 tot 13 volgen.
  4. Moer losmaken.
  5. Aanaardwerktuig tot de gewenste positie naar boven of beneden schuiven.
  6. Moer vastdraaien.
  7. Op dezelfde manier alle aanaardwerktuigen activeren en op de werkdiepte instellen.